Satelliet ABC

 
Pagina afdrukken » Satelliet ABC
Actuator:
De motor die gebruikt wordt voor het verdraaien van een schotel bij een draaibare installatie. De motor heeft een pulsgever, die bij elke omwenteling van de motor pulsen afgeeft. De ontvanger kan aan de hand van de afgegeven pulsen bepalen op welke satellietpositie de schotel uitgericht staat.

ADR:
Astra Digitale Radio. Een uitzendmethode die gebruikt wordt voor het (digitaal) uitzenden van het geluid van radiostations. ADR komt overeen met het Musicam (MPEG-1) geluidsprocedé en wordt ook op de Hot Birds (sporadisch) gebruikt.

Antenne:
Een voorziening die hoogfrequente signalen oppikt. Via een coaxkabel worden deze signalen doorgegeven aan de ontvanger.
Antenneversterker:
Een electronische schakeling die een te zwak antennesignaal versterkt tot een voor een ontvanger aanvaardbaar nivo.

Atmosfeer:
De luchtlaag om de Aarde. Doordat de Atmosfeer onder andere uit waterdamp bestaat worden hoogfrequente signalen verzwakt (gedempt). De mate van demping is afhankelijk van de frequentie van het signaal. Bij hoge frequenties is de demping groter dan bij lage frequenties.

Azimuth:
Een schotel moet, wanneer deze op één satelliet gericht staat, aan twee waarden voldoen: hij moet een elevatie- (zie verderop) en een azimuthwaarde hebben. De azimuthwaarde wordt uitgedrukt in kompasgraden en geeft aan in welke kompasrichting de satelliet staat. Via wiskundige berekeningen (goniometrie van de boldriehoeksme-ting) kunnen deze waarden, afhankelijk van uw woonplaats en de gewenste satelliet, berekend worden.

Bandbreedte:
Dit is het gebied waarbinnen het signaal b.v. in een ontvanger goed verwerkt wordt. Signalen buiten dat gebied dienen te worden onderdrukt. Voor analoge ASTRA ontvangst geldt een benodigde bandbreedte van 27 MHz en voor bijvoorbeeld de Eutelsat II-F2 is dat 36 MHz. Ook bij digitale satellietontvangst gelden verschillende bandbreedtes.

Baseband:
Nadat de analoge ontvanger het signaal voldoende versterkt heeft wordt het via een demodulator omgezet in een basebandsignaal. Het resultaat bevat het videosignaal, geluidsdraaggolven (en eventuele datakanalen). De verschillende signalen kunnen hierna nog verder worden verwerkt tot een normaal audio- en videosignaal. Het basebandsignaal wordt vaak aan decoders (b.v. VideoCrypt of D2MAC) toegevoerd.

Belichter:
Is een ander woord voor feed-horn.

BER:
Bit Error Rate. Dit is het aantal foutief ontvangen digitale pakketjes gedeeld door het totaal aantal pakketjes per tijdseenheid. Voor digitale satellietontvangst moet de BER-in minder dan 0,005e bedragen. De BER-in is het aantal foutjes vóór en de BER-out na foutcorrectie. Er is een wiskundige relatie tussen de C/N en de BER-in.

Blokken:
Bij digitale TV wordt het beeld bloksgewijs gecodeerd. Wanneer er tijdens ontvangst zich storingen voordoen kunnen deze defecte blokken veelal weer in het beeld teruggevonden worden, hetgeen als storend ervaren wordt.

B-Frame:
Een in MPEG-2 voorgeschreven wijze van digitale beeldopbouw. Bij een B-Frame (bi directional) worden componenten van zowel voorafgaande als komende beelden meegewogen.

C-Band:
Zie satelliet-frequenties

CAM:
Conditional Access Module. Een uitwisselbaar gedeelte van een digitale satellietontvanger. Deze module decodeert een versleuteld signaal en werkt daarbij nauw samen met de Smart Card.

C/N verhouding:
Dit is de verhouding (in dB) tussen het nuttige signaal en de totale systeemruis. Voor een betrouwbare ontvangst van analoge signalen moet de C/N minimaal 12 dB zijn en hoe hoger dat getal, des te beter het beeld. Voor digitale signalen is een C/N van minimaal 9 dB noodzakelijk, wil men geen blokken in het beeld hebben.

Chrominantie:
Deel van het videosignaal dat de kleurinformatie van het beeld bevat.

Clarke Belt:
zie geostationaire baan.

Coïncidentie:
Het op één lijn staan, vanuit de schotel gezien, van zowel de satelliet als de zon. Veroorzaakt spikes in het beeld en soms beschading van de LNB. Komt in het vroege voor- en najaar voor.

Coax:
Om het satellietsignaal voldoende sterk naar de in de huiskamer opgestelde ontvanger te krijgen is een speciale transportkabel nodig: coaxkabel. Deze kabel dient m. b. v. speciale pluggen aangesloten te worden en voor satellietontvangst van zeer goede kwaliteit te zijn. Ook moet de kabel met zorg behandeld worden.

Common Interface:
Een wijze van ontwerpen van digitale satellietontvangers, waarbij alle hard- en software voor de diverse coderingsnormen in een CAM wordt ondergebracht met als voordeel dat de rest van de ontvanger geschikt is voor allerlei coderingsnormen.

Conax:
Een coderingsnorm voor digitale TV, o. a. in Scandinavië in gebruik.

D2MAC:
Zie Mac

Datastream:
Het totale digitale signaal bijbehorende bij een TV programma (inclusief geluid).

DBS-Band:
zie satellietfrequenties

Decoder:
Een apparaatje dat soms extern aan een satellietontvanger gekoppeld wordt om een versleuteld (gecodeerd) signaal weer zichtbaar te maken.
De-emphasis:
Ten einde tijdens het transport van het analoge signaal vanaf het grondstation via de satelliet naar uw ontvangstinstallatie een extra ruisonderdrukking te krijgen wordt aan de zenderkant een pre- en aan de ontvangerkant een de-emphasis toegepast. Bij een juiste keuze van de filterwaarden (b.v. CCIT 405) kunt U daardoor een winst in de signaal/ruis verhouding van wel 12 dB bereiken.
Demper:
Wanneer bij digitale satelliet ontvangst het signaal, afkomstig van de LNBF, te sterk is om door de ontvanger goed verwerkt te kunnen worden (oversturing), moet een demper (verzwakker) worden toegepast. Deze bevindt zich in een kleine behuizing die eenvoudig in de coaxkabel opgenomen kan worden.

DownLink:
Het signaal dat vanuit de satelliet naar de Aarde wordt uitgezonden. In de andere richting (van Aarde naar satelliet) wordt dit de uplink genoemd.
Downlink Budget:
Een methode om aan de hand van de satelliet- en ontvangstpositie, de frequentie en het zendvermogen, de sterkte van het te ontvangen signaal te berekenen.

DisEqC:
Een door Philips in samenwerking met de Eutelsat organisatie ontwikkelde digitale standaard voor besturing van complexe buiten-installaties. Kan zowel draaibare opstellingen als multifeed LNB's en een eenvoudige vaste schotelopstelling door één coaxkabel, via seriële commando's besturen.
Dispersal:
Bij analoge satellietsignalen komen veel frequenties vaak voor. Dit kan aardse straalverbindingen storen. Er is internationaal afgesproken dat deze satellietsignalen in het frequentiedomein verspreid (dis-persing) moeten worden ten einde deze storingen te vermijden. Bij de analoge satellietsignalen geschiedt dit door het videosignaal op een zaagtand te superponeren.

DSR:
Digital Satellite Radio. Dit is in feite een achterhaalde wijze van het digitaal verzenden van radiosignalen. Het bevat geen compressiemethode, zoals ADR die kent, is niet meer in gebruik. Deze norm wordt ook door diverse kabelmaatschappijen gebruikt voor doorgifte van hoogwaardig geluid.

Dual LNB:
Een (verouderde) LNB-type, waarbij door het omschakelen van de voedingsspanning van 13 naar 18V tweefrequentiebanden ontvangen konden worden. Werd vooral gebruikt in de combinatie FSS-/Télécom-band.

DVB:
Digital Video Broadcasting. Een norm voor het verzenden van (vele) programma's langs digitale weg. Vele Europese operators werken volgens deze norm, die een uitbreiding is van de bekende MPEG-2 norm.

EIRP:
Het effectief uitgestraalde vermogen van een zender direkt na het verlaten van de zendantenne (waarbij de versterking van de antenne doorberekend is). De EIRP wordt in dBW uitgedrukt. Voorbeeld: De ASTRA-1C satelliet heeft een EIRP van 52 dBW.

Elevatie:
De hoek die de antenne met het horizontale aardoppervlak moet maken, waarbij de schotel 'omhoog kijkt'. Deze hoek wordt in meetkundige graden uitgedrukt. Zie ook 'azimuth'.

EPG:
Electronic Programme Guide. Een programma-gids voor digitale transmissie die op uw TV verschijnt. Kent bij de diverse operators uiteenlopende uitvoeringen. Verkeert in Europa nog in een experimenteel stadium.

EuroCrypt:
Een coderingsvorm voor D2MAC zenders. Vooral Scandinavische en Franse zenders maken (maakten) daar gebruik van. Kent de 'M' en 'S' varianten.

F- connector:
De plug waarmee de coaxkabel van de LNB op de ontvanger aangesloten wordt. Is bij satellietinstallaties zeer veel gebruikt.

F/D Verhouding:
Dit is de verhouding tussen de brandpuntafstand en de diameter van een schotel. In principe kan deze vrij willekeurig gekozen worden, alhoewel volgens de theorie een grotere F/D betere electrische specificaties geeft.

Feedhorn:
(ook wel 'feed' genaamd) Bij een parabool worden alle invallende signalen in één brandpunt gebundeld. Omdat evenwel de golflengte van de microgolven (ongeveer 25 mm) niet oneindig klein is t.o.v. de schotelafmetingen ontstaat er geen brandpunt, maar een brandwolk, die bovendien niet homogeen gevuld is met energie. De feedhorn heeft tot taak de energie nog verder te bundelen, zodanig dat het optimaal in de LNB terecht komt. Bij een bepaalde schotelconstructie behoort een bepaalde feedhorn: bij meting aan antennes meet men dus altijd de kwaliteit van de feedhorn mee.

FEC:
Forward Error Correction. Een methode om transportfouten bij digitale satellietontvangst te corrigeren. De FEC geschiedt aan de hand van extra uitgezonden correctiebits. Een FEC van 7/8 wil zeggen dat er voor iedere 8 uitgezonden databits er 7 gebruikt worden voor de eigenlijke informatie.

Filter:
Een brokje electronica dat bepaalde signalen onderdrukt en andere weer doorlaat. Bij sommige digitale satellietontvangers kan toepassing van een 'High Pass Filter' storing t.g.v. ongewenste (subband) signalen voorkomen.

Footprint:
Het belichtingsgebied van een satellietsignaal. Dit is een gebied op het aardoppervlak waarbinnen een bepaalde veldsterkte heerst. Een footprint bepaalt dus, gegeven de ontvangstlocatie, hoeveel de veldsterkte ter plaatse zal zijn. Verschillende satellieten hebben verschillende footprints en sommige hebben er zelfs meer dan 1, zoals de Eutelsat: De Superbeam heeft een veel kleinere footprint dan de Widebeam.

Focushoek:
Dit is een openingshoek van de feedhorn. In het ideale geval is deze zodanig gekozen dat de feedhorn het gehele oppervlak van de schotel bestrijkt. Is de hoek te groot dan neemt de feedhorn ook ruis van buiten de schotel op en is de hoek te klein, dan wordt het signaal van slechts een gedeelte van de schotel doorgegeven.

Frame:
Kent meerdere betekenissen. Bij PAL worden er 50 halfbeeldjes (frames) uitgezonden en bij NTSC 60. Bij digitale TV worden bij het uitzenden de beelden in bepaalde groepen in z.g. Frames geklasseerd. Bekende groepen zijn de B-, de l- en de P-Frames.

FSS Band:
Zie satellietfrequenties

Geostationaire baan:
Deze baan is een denkbeeldige cirkel, 35.786 km boven het aardoppervlak, waarop alle vaste satellieten zich bevinden. De baan wordt ook wel de Clarke belt genoemd. In de Clarke belt staan satellieten t.o.v. de Aarde stil: een voorwaarde voor vaste schotelontvangst.

Home-frequency:
Dit is de frequentie van een digitale transponder van waaruit allerlei informatie van de betrokken digitale operator wordt uitgezonden. Op de eerste plaats een opgave van de andere transponders die de operator in gebruik heeft, maar ook zaken zoals de EPG (programma-gids) en het abonnementsbeheer. Zonder de instelling van de homefrequency is een complete ontvangst van alle programma's niet bij alle digitale satellietontvangers gegarandeerd.

IF:
(vaak ook MF genaamd) In de satellietontvanger wordt het van de LNB afkomstige signaal opnieuw omlaag geconverteerd naar de middenfrequentie (MF). Op deze frequentie wordt het signaal uiteindelijk gedemoduleerd. De meeste satellietontvangers gebruiken een IF van 479,5 MHz.
I-Frame:
Een in MPEG-2 voorgeschreven wijze van digitale beeldopbouw. Een I-Frame kent alle informatie uit het beeld, in tegenstelling tot B- en P-frames, die slechts beperkte informatie bevatten.

Irdeto:
Een merknaam van een CAM. Wordt o.a. door Canal+ gebruikt.
J17
Een norm waarmee het analoge geluid na ontvangst wordt gecorrigeerd, zodanig dat er een neutraal spectrum ontstaat. De J-17 is in feite een de-emphasis norm.

Ku-Band:
zie satellietfrequenties

LNB:
Low Noise Block downconverter (soms ook LNC genaamd). Het stuk electronica dat ervoor zorgt dat het ontvangen satellietsignaal omzet naar een frequentie binnen het afstembereik van de satellietontvanger. Belangrijk voor de LNB kwaliteit is het ruisgetal, dit moet zo laag mogelijk zijn. Tegenwoordig zijn waarden kleiner dan 1 dB goed haalbaar.

LNBF:
Dit is een LNB met een aangebouwde feedhorn en polarisatiekeuze. Meestal zijn LNBF's alleen voor offsetschotels geschikt. Door deze integratie wordt een hoge mate van waterdichtheid en een goede compacte constructie bereikt. Doordat deze LNB twee antennes kent (1 voor verticaal en 1 voor horizontaal gepolariseerde signalen) is een aparte polarizer ook niet nodig. De meeste LNBF's kiezen bij een voedingsspanning van 13 V verticaal en bij 18 V horizontaal gepolariseerde signalen.

L.O.:
Local Oscillator. Om een satellietsignaal binnen het ontvangstbereik van een ontvanger te krijgen wordt het satellietsignaal gemengd met het signaal van een Local Oscillator. Het mengproduct (verschil) van deze twee signalen kan wel ontvangen worden door een ontvanger.

Luminantie:
Dat deel van het videosignaal dat uitsluitend helderheidsinformatie bevat.


< Quattro LNB:
Een vrij nieuw ontwikkelde LNB die in staat is de hele Ku-band te kunnen ontvangen.
QPSK:
Quadrature Phase Shift Keying. Modulatiemethode waarbij in twee draagolven (die onderling 90 graden in fase verdraaid zijn) het volledige signaal wordt ondergebracht. Wordt vooral toegepast bij digitale transmissie.

Ruisgetal:
Alle electronica heeft als ongewenst neveneffect dat er ook ruis ontstaat. Bij satellietontvangst speelt het totale ruisgetal van de LNB een belangrijke rol; hoe lager hoe beter.

Satellietfrequenties:
Voor transport van radio- en televisiesignalen door de ruimte worden speciale frequentiebanden gebruikt, tegenwoordig in gebruik zijnde banden:
C-Band: (3,7 - 4,1 Ghz), ontvangst vaak alleen met een grotere schotel.
Ku band: (10,7- 12,75 GHz)Bij satelliettelevisie wordt de Ku-band soms opgesplitst in drie delen
FSS- Band: (fixed satellite services): 10,7 - 11, 75 GHz
DBS-Band: (direct broadcast satellite): 11,75 - 12,5 GHz
Télécom-Band: 12,5 - 12,75 GHz

SCPC:
Single Carrier Per Channel. Bij digitale TV worden doorgaans vele programma's op een draaggolf ondergebracht, zie multi-plexer. Vooral voor feeds heeft men ook een methode bedacht waarbij slechts 1 programma op 1 draaggolf is ondergebracht, het zogenaamde SCPC.

SECA:
Naam van een coderingsysteem voor digitale TV, eigenlijk SECA/ Mediaguard geheten. In een flink deel van Europa in gebruik, o. a. in Frankrijk. Eigendom van Canal+ en sinds kort ook in Nederland in gebruik. De SECA wordt niet in een module verwerkt, maar op de print van de ontvanger. Dit heet een 'embedded design'.

SECAM:
Een andere televisienorm voor analoge kleursignalen. In Europa met name door Frankrijk en Griekenland, maar ook door de GOS gebruikt.

Skew:
Een fijnregel voorziening om op de polarisatie aan de ontvangstzijde gelijk te maken aan die van het uitgezonden signaal. Deze fijnregelvoorziening is met name bij draaibare installaties dringend gewenst, omdat de polarisatie van signalen bij de verschillende satellieten steeds anders is.

Scart:
Een door Barco eind 60-er jaren toegepaste koppelmethode voor audio- en video-apparatuur. Wordt in huidige consumentenapparatuur inmiddels grootschalig toegepast. De aansluitingen zijn genormeerd.

Smart Gard:
Een kaart voorzien van electronica die in een ontvanger wordt gestoken en samen met een decoder een gecodeerd signaal in een zichtbare vorm omzet. Zodra een smartcard in de ontvanger is gestoken, zal de decoder aan de hand van de aanwezige geprogrammeerde electronica nagaan of u wel het betreffende station mag ontvangen. Smart Cards komen zowel bij analoge als bij digitale satellietontvangst voor.

SMPS:
Switched Mode Power Supply. Een schakelende voeding, die in veel satellietontvangers wordt toegepast. Het grote voordeel is het grote rendement en daarbij wordt ook weinig warmte ontwikkeld.

SNG:
Satellite News Gathering (ook wel ENG genaamd). Satelliettechniek heeft snelle doorgifte van nieuwsbeelden mogelijk gemaakt. Bij calamiteiten of live verslaggevingen van grote evenementen wordt een mobiel uplink- station ingezet om via een satelliet beelden naar de studio te sturen.

Spikkels (Spikes):
Witte en/of zwarte horizontale storende streepjes in het beeld. Indien zowel zwarte als witte spikkels zichtbaar zijn, is uw schotel te klein om een goed signaal te krijgen. Bij uitsluitend witte spikkels is de ontvanger te hoog afgestemd, bij alleen zwarte is er een te lage afstemming.

Splitter:
Een passieve (soms actieve) electronische schakeling die het aansluiten van twee (satelliet)-ontvangers op één antenne mogelijk maakt. Is bij satelliet-TV vanwege de geringe signaalsterkte beperkt toepasbaar.

Subcarrier:
Een hulpdraaggolf waarop geluid of data uitgezonden wordt. Een satellietsignaal kan meer hulpdraagolven bevatten.

Symbol Rate:
Een getal dat aangeeft hoeveel bits per seconde uitgezonden worden. Bij een symbolrate van 27,5 MBps worden dus 55 MBps (55 miljoen bits per seconde) overgezonden. Dit is inclusief de extra correctiebits die nodig zijn om een verminkt bits te kunnen herstellen (zie hiervoor FEC).

Symulcrypt:
Het gelijktijdig coderen van een televisiesignaal met twee coderingen. Zo maakt bijvoorbeeld Canal+ gelijktijdig gebruik van de Irdeto- en Seca-versleutelingstechnieken.

Syster:
Een coderingsnorm voor analoge satellietsignalen. Wordt nog sporadisch op onder andere de Astra-en de Telecom -satellieten gebruikt.

Transponder:
Een kanaal in het frequentiegebied waarin een satelliet signalen uitzendt.

Transportstream:
Het (soms uit verschillende zenders samengestelde) digitale signaal zoals dat uitgezonden wordt

Threshold:
Dit is de limiet waaronder een satellietontvanger niet goed meer werkt. De threshold (in dB) geeft aan hoeveel het signaal sterker moet zijn dan de ruis en is dus een belangrijk kwaliteitscriterium voor ontvangers. Hoe zwakker het signaal onder de threshold is, des te meer spikkels zullen er in het beeld verschijnen.

Triple Band LNB:
Een (inmiddels verouderde) LNB waarmee de oorspronkelijke Ku-band (10.95-12.75 Ghz) ontvangen kan worden. Triple staat voor de drie delen van de Ku-band die ontvangen kunnen worden; de FSS, DBS en Télécom-band.

Tuner:
Het ontvangstdeel van een satellietontvanger. Bij ontvangst wordt de tuner afgestemd op een signaal, waarna het signaal in de ontvanger verder verwerkt wordt (gedemoduleerd) tot audio en video.

TWT:
Een zendbuis die microgolven kan versterken. Wordt gebruikt bij satelliet uplinks.

Universele LNBF:
LNB waarmee de hele Ku-band kan worden ontvangen. De Universal LNB heeft een deel dat geoptimaliseerd is voor de ontvangst van het lage deel van de Ku-band (10,7 tot 11,75 GHz) en een voor het hoge deel van de Ku-band (11,75 tot 12,75 GHz). De bandomschakeling gebeurt door middel van een 22 KHz toon en de omschakeling van de polarisatie via de (13/18 V) voedingspanning, die beide door de ontvanger afgegeven worden. Een ander kenmerk van deze LNB is dat deze geoptimaliseerd is voor ontvangst van digitale signalen.

Viaccess:
codeernorm van een digitaal TV-signaal.

VideoCrypt(l en II):
Een codering voor televisiesignalen. VideoCrypt l wordt voornamelijk voor Engelse satellietzenders in het BSkyB-pakket gebruikt. VideoCrypt II was een variant van de Vidoecrypt-codering en werd gebruikt voor satellietsignalen die ook buiten Engeland bekeken mochten worden. Bij 'Open VideoCrypt' heeft men alleen een decoder nodig terwijl bij andere VideoCrypt vormen een geldige smartcard vereist is.

Wegener:
zie Panda-1.

Windlast:
De belastende druk die de wind op een antenne uitoefent.

Zonne-eclips:
In de herfst en het voorjaar komt de aarde soms tussen de satelliet en de zon te liggen, waardoor de zonnepanelen van de satelliet geen energie meer krijgen. De satelliet gaat dan meestal op accu's verder. De tijdsduur van de eclips is gewoonlijk kleiner dan 1 uur en komt gedurende 1 week elke avond voor.